Volgens Ron de Bruijn, managing partner van Riskonet, is er onduidelijkheid over de interpretatie van de richtlijnen voor gevaarlijke stoffen. Bedrijven raken hierdoor in de problemen. “Bedrijven maken hoge kosten en weten vaak niet of ze uiteindelijk een vergunning krijgen”, vertelt hij. “Daarbij kijken verschillende omgevingsdiensten anders naar dezelfde richtlijn.”
Toenemende druk rond PGS
De kern van het probleem zit volgens hem in de manier waarop met de PGS-richtlijnen wordt omgegaan. “Het zijn richtlijnen, geen wet. Toch worden ze vaak als harde norm toegepast.” Daarmee verdwijnt de ruimte voor doelvoorschriften en gelijkwaardige oplossingen die de Omgevingswet juist mogelijk maakt.
Tegelijkertijd erkent De Bruijn dat veiligheid altijd het uitgangspunt moet zijn. “Iedereen wil risico’s beperken, maar volledige uitsluiting daarvan bestaat niet. Er blijft altijd een restrisico.” De vraag is daarom niet of risico’s volledig kunnen worden uitgesloten, maar of maatregelen in verhouding zijn ten opzichte van het risico dat wordt beheerst.
Deze spanning tussen richtlijn en praktijk wordt uitgebreider geanalyseerd in de white paper De Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen – De wankele balans tussen veiligheid en uitvoerbaarheid.
Bedrijven tussen regels en realiteit
De gevolgen zijn volgens De Bruijn dagelijks merkbaar. “Het bevoegd gezag volgt de punten uit de richtlijn letterlijk, ook als dat niet past bij een bedrijf dat daar niet precies onder valt”, legt hij uit.
Soms worden aanvullende eisen gesteld waarvan de veiligheidswinst niet aantoonbaar is. Daardoor ontstaan steeds vaker juridische discussies, stelt De Bruijn. “Terwijl je juist samen zou moeten kijken naar een veilige en werkbare oplossing.” Dat vraagt ook verantwoordelijkheid van bedrijven: hun veiligheidsdossier moet op orde zijn en alternatieven goed onderbouwd. Zonder stevige motivering is een beroep op gelijkwaardigheid kansloos.
In plaats daarvan ziet hij dat wordt gestuurd op nul risico. “Dat is niet reëel.” Raakt de juiste verhouding uit beeld, dan lopen projecten vast. “Bedrijven investeren dan in maatregelen die weinig toevoegen aan de veiligheid,” aldus De Bruijn. De kosten stijgen en soms wordt zelfs naar verplaatsing gekeken om te ontsnappen aan de Nederlandse regelgeving.
De ontbrekende schakel: vertrouwen
Volgens Willem van Oppen, adviseur Keurmerken bij het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), ontbreekt het aan wederzijds vertrouwen, terwijl alle partijen hetzelfde doel hebben: brandveiligheid bij de opslag van gevaarlijke stoffen. “Als er voortdurend concessies van je worden gevraagd waar niets tegenover staat, zeg je niet snel ‘ja’”, legt hij uit. “Kennis van zaken is daarbij essentieel, en je moet stevig in je schoenen staan.”
Dat lukt niet altijd. “Sommige adviseurs opereren onvoldoende zorgvuldig en gebruiken stevige taal, waardoor aan de kant van het bevoegd gezag concessies worden gedaan waar later twijfel over ontstaat”, vertelt Van Oppen. Dat ondermijnt het vertrouwen verder.
De praktische uitvoerbaarheid speelt ook mee. “Een maatregel kan effectief zijn, maar te kostbaar of moeilijk inpasbaar,” licht hij toe. Dan vraagt het om een zorgvuldige afweging. Wanneer partijen vooral tegenover elkaar staan, raakt die afweging uit beeld en neemt de spanning toe.
Samen met brandveiligheidsexpert Tom de Nooij van Riskonet geeft Van Oppen binnenkort een presentatie bij de brandweer over de opslag van gevaarlijke stoffen en brandveiligheid. “We hebben hetzelfde doel: de spanning op de werkvloer verminderen”, vertelt hij. “Nu zien we nog dat er snel ‘nee’ wordt gezegd tegen plannen, ook wanneer er inhoudelijke onderbouwing ligt.”
Certificering als fundament
Het CCV werkt aan een vernieuwd certificatieschema dat beter moet aansluiten op de praktijk, in samenwerking met adviesbureaus en het Verbond van Verzekeraars. Volgens Van Oppen kan certificering bijdragen aan herstel van vertrouwen. “Je kunt een onafhankelijke inspecteur laten meekijken naar wat er op tafel ligt”, legt hij uit. “Of je kiest ervoor alleen te werken met adviseurs die aantoonbaar aan bepaalde eisen voldoen.”
Het nieuwe schema bevat een stevig competentieprofiel. “Je moet van goeden huize komen om daaraan te voldoen”, zegt hij. “Als de kwaliteit van het advies geborgd is, weet een opdrachtgever dat er kennis en ervaring achter zit.” Dat vergroot de kans op een onderbouwd plan dat het bevoegd gezag kan overtuigen.
Van regelstrijd naar samenwerking
Volgens Van Oppen verandert er veel wanneer plannen door een gecertificeerde adviseur worden opgesteld. “We weten aan welke eisen zij moeten voldoen, ook op het gebied van integriteit”, stelt hij. “Dat biedt vertrouwen in de kennis en ervaring die zij meebrengen.”
Daarnaast bestaat er een mogelijkheid tot aanspreken of klagen wanneer iets niet deugt. “Dat is bij een niet-gecertificeerde partij minder vanzelfsprekend”, merkt hij op. Een volgende stap is volgens hem een onafhankelijke beoordeling zonder eigen belangen. Daarmee ontstaat een controleerbare basis die het onderlinge vertrouwen kan versterken.





